Wie is Online

  • 13 gasten
  • Inloggen



    Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen.

    Uitzending : Laden...


    Kerkgebouw

    Beth-El kerk Vriezenveen

     
    Overdenking E-mail

    Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens Kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?....

    Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel….

    Wacht op den HEERE…. Psalm 27: 1, 4, 14b


    Wachten is voor de mens van nature geen gemakkelijke zaak. Hij is gewend om het leven zoveel mogelijk in eigen hand te nemen en op zijn tijd en op zijn wijze de zaken te regelen. In het geestelijke leven is wachten zeer wezenlijk, het is onmisbaar en een hoge oefening van het geloof. Wacht op den HEERE. In psalm 27 ontmoeten wij David, dat lieve kind van de Heere. David verkeert in grote moeilijkheden. Hij weet zich omringd door vijanden, die het op zijn leven hebben voorzien. Wat doet David? Hij gaat schuilen, wèg-schuilen achter zijn God, als achter een schild, hét Schild. David mag het nu belijden: Mijn Schild ende betrouwen, zijt Gij, o God, mijn Heer’. Hoor het hem maar zeggen, te midden van alle vijandschap: God is mijn Licht, mijn Heil en mijn Kracht! Voor wie zou ik vervaard zijn?God is een schild, in 't strijdperk van dit leven. Met mijn God spring over een muur en storm ik in op een bende. Wegschuilend achter zijn God kan David in de toekomst staande blijven en kan hij het uitroepen: Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen. Ik ben niet beangst, wat ook de toekomst brengen moge! Kunnen wij dat op rechtsgronden van David overnemen? Inmiddels zijn we een nieuw jaar binnengeleid, 2017. Wederom een jaar van Gods welbehagen. We weten niet wat er op onze weg zal komen. Maar de hoofdzaak is: Zijn we geborgen voor tijd en eeuwigheid? Is de Heere ons Schild, Dat ons dekt, achter Wie we veilig zijn, wat er ook op ons pad mag komen? Mogen we dat op goede gronden weten? Hebben wij Hem persoonlijk als ons Schild, ons Heil, ons Licht, onze Kracht? Is God voor u en mij, heel persoonlijk: de Rots, het Deel, het eeuwig Goed? Het Schild, dat we nodig hebben om niet dodelijk getroffen te worden. Waartegen? In de eerste plaats tegen de toorn van God over ons verdoemelijk bestaan. Geliefden: weten we van onze hemelhoge schuld tegenover een heilig en rechtvaardig God? Door onze val in ons verbondshoofd Adam liggen wij allen verloren voor God. Allen hebben wij in Adam gezondigd en zijn daarom onderworpen aan het vonnis des doods. Dat is de drievoudige dood: tijdelijk, geestelijk en eeuwig. Zo heilig is de Heere, dat hij geen gemeenschap kan hebben met het zondige en bevuilde. Hij moet dat krachtens Zijn zuivere en reine Wezen buitensluiten en onder Zijn eeuwige gramschap besluiten. Verdoemen. De zonde is een kwaad dat bedreven is tegen de oneindige Liefde. Daarom is de zonde een oneindig kwaad en moet met een oneindige straf worden vergolden. Ontzettende werkelijkheid. Als dat zielsbevindelijk door de Heilige Geest wordt geweten is er geen rust meer in de ziel. Sterven is God ontmoeten en dan voor eeuwig verloren. Hoe komt onze ziel dan in de arbeid, om met dat oneindige, heilige en rechtvaardige Wezen in het reine te komen. Werken en kerken. De zonden mijden, de wet houden, God genoegdoening geven … Maar ach, het is alles eigen werk. Het komt op uit een verontrust, maar niet uit een gereinigd en geheiligd gemoed. Het is dan ook geen vermindering maar vermeerdering van de schuld. De mens wordt ontdekt aan het hopeloze van zijn eigen werkgerechtigheid. Zijn werken brengen hem geen baat! Dan volgt de wachtenstijd. Er zal een wonder van de hemel moeten geschieden. Er gaat nu een smeekbede op uit het hart tot God om de armoede en de onmogelijkheid van de mens in aanmerking te nemen om genadig te zijn. De armoede wordt dan de grond voor de gevraagde verhoring …

    Maar o, dan klinkt opnieuw de eis van de Heere in het hart: O ziel, betaal wat gij Mij schuldig zijt! De Heere doet geen afstand van Zijn recht. En dan blijft er maar een weg over: verloren gaan. En dat naar recht. Zalig is de ziel die zo onder God verloren mag gaan. Die het verdoemend recht omhelst! Om dan omhelsd te worden door Hem, Die aan Gods recht heeft voldaan, Christus, de Borg. Zijn verzoenend lijden en sterven wordt toegepast aan de ziel. Door de geloofsvereniging met Christus en de daarop volgende verzekering: Ik heb in uw plaats aan het Goddelijk recht voldaan; Ik heb voor u de wet volkomen gehouden en uw schuld voor u weggedragen. O, dan heeft de ziel een Borg ontvangen tegen de toorn Gods. Christus is het Schild van Gods verloste kerk. Dat is Hij ook voor David. Hij is Davids Licht. Christus is Degene, Die met Zijn enige Offerande God heeft genoeg gedaan en een vertoornd God heeft bevredigd. Dan is de gramschap geweken. De HEERE is mijn Licht. Dat is, zegt de kanttekenaar: De Auteur van mijn voorspoed, van mijn troost, van mijn vreugde. En mijn Heil. Hij, de Heere, is het die mijn heil, mijn behoudenis bewerkte. Hij is het, Die mij heeft verlost van het allergrootste kwaad, de zonde, en mij heeft gevoerd tot het allerhoogst en eeuwig Goed, de gemeenschap met de Drie-enige God. Daarom: Voor wien zou ik vrezen? Rom. 8. Zo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Psalm 56. Dit weet ik, dat God voor mij is. En dan ook: De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? Zijn Goddelijke kracht en sterkte houdt mij in leven, bewaart mij bij de verkregen verlossing en doet mij alle dingen medewerken ten goede. Waarlijk, de Heere is een Schild in het strijdperk van dit leven. Ook tegen de pijlen, die de boze machten op ons afvuren. De hittige vijandschap van de satan en zijn medestanders. Wat al aanslagen van de vorst der duisternis zijn er om Gods kinderen te benauwen, tot wanhoop te voeren, ja ten val te brengen. Doch Gij, HEERE, zijt een Schild voor mij, mijn Eer en Die mijn hoofd opheft. Psalm 3.

    O, David heeft zich zaligmakend voor tijd en eeuwigheid aan de Heere mogen verliezen. En daar moet alle vrees het veld ruimen en komt er die hartelijke begeerte in het leven om steeds dichter bij de Heere te mogen verkeren en Hem steeds beter te mogen leren kennen, zich al meer en meer aan Hem te mogen kwijtraken, nog meer in Hem te mogen verzinken, nog dieper in Zijn gemeenschap te mogen worden ingeleid, nog meer de Heere de lof en de aanbidding te mogen toebrengen. Dan mag David (vers 4) het belijden: Een ding heb ik van de Heere begeerd. Wat dan? Dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn Tempel. Weet u, wat dat betekent? Heel eenvoudig dit, dat David nu nergens liever meer wil zijn dan in de Tempel, in de kerk, in Gods huis. Voor de eredienst! En dat al de dagen zijns levens ...! Is dat ook onze begeerte? Zo is het bij David. Het hartelijk verlangen om daar in het Heiligdom te zien, hoe goed God is voor een schuldig volk. Om te zien én te onderzoeken. Om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel…. Om te mogen inblikken in de bediening van de offers tot vergeving van de zonden. Om dat lieve Bloed der verzoening te mogen zien stromen. Om daar steeds meer de kracht van te mogen ervaren. Steeds meer in dat lieve Lam van God alles te mogen aanschouwen en ontvangen. Het is alles Lieflijkheid! O, en om voorts ook met verwondering en verlangen te mogen staan bij het koperen wasvat om iets te mogen verstaan van de betekenis ervan voor de priesters. Om zó alleen te kunnen staan in de dienst des Heeren: gewassen en geheiligd door dat dierbaar Bloed en die onmisbare Geest van de Zaligmaker. Dat geldt al Gods kinderen, die immers gemáákt zijn tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader. Openbaring 1. Het is alles Lieflijkheid! En ja, daar ook iets te mogen zien van het reukwerk dat opkringelt uit het Heilige. Van die gebeden van Gods Kerk, die door het Bloed van Christus gereinigd en door Zijn Geest geheiligd opstijgen tot voor Gods Aangezicht. Om te zien en te onderzoeken de dienst der gebeden, die God Zijn volk gelaten heeft, om in die weg tot Hem te naderen, het hart uit te storten en Zijn lieve nabijheid en ondersteuning af te smeken. O, dat gebedswerk, dat lieflijk reukwerk, waarin niet alleen de klacht en de zucht, maar evenzeer de dankzegging en aanbidding van het levend gemaakte volk mag opklimmen tot Gods genadetroon. Het is alles Lieflijkheid! O, en om verder ook nog Gods genadige onderwijzingen te mogen vernemen in de verkondiging van Zijn eeuwig Woord en blijvend Getuigenis. Die niet hoog genoeg te schatten bediening van het Woord, waarin God Zijn goedheid toont in die hartelijke oproep tot bekering van de goddeloze en in die zoete belofte van troost voor het verslagen hart. Het is alles Lieflijkheid. Geliefden, om dit alles - en nog veel meer-is 't Huis des Heeren David zo lief. Zó lief, dat hij er wel altijd zou willen verkeren. Eén ding heeft hij begeerd: de gemeenschap met God. Steeds dieper te worden ingeleid in Zijn liefde, wijsheid en onveranderlijke trouw. Het is alles Lieflijkheid! Een vraag. Is Davids begeerte ons niet vreemd? En krijgt dat verlangen in ons leven metterdaad gestalte in het trouw opgaan naar het Huis des Heeren? In het biddend onderzoeken van Gods Woord? Om in dit alles te aanschouwen en te onderzoeken de liefelijkheid des Heeren! In het bijzonder deze lieflijkheid: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar eeuwig leven hebbe. David heeft een Borg voor zijn ziel en een God voor zijn leven.

    Hij begeert al meer en meer ingeleid te worden in het wezen en de eigenschappen van de Drie-enige God. Maar hij heeft ook nog een derde zaak in zijn hart en leven mogen leren kennen: een levende verwachting op de God zijns heils. Wacht op den HEERE. Daar mag David in deze Psalm nu ook mee eindigen. En hoe blijkt hier dat dit verwachten geleerd wordt door grote diepten heen. We horen in deze psalm hoe David van de hoogte van de geloofsjubel afdaalt tot de diepte van het ootmoedig smeken tot God om God. Ook David moet leren, dat genade nooit vanzelfsprekend is, geen bezit is, maar steeds weer in de weg van gebogen knieën en gevouwen handen zal wordt verkregen. De weg van het verbroken hart en de verslagen geest. De weg van de vernederde ziel, die uit het dal van de ootmoed met onderwerping roept tot de Heere. Dat gebeurt in de ziel van Gods volk als alles weer tegen is en tegen loopt. Als de krachten van de hellevorst Gods kind aangrijpen en het de ziel wordt toegeroepen: Gij hebt geen deel aan God; u gaat voor eeuwig verloren; uw godsdienst is alleen inbeelding; u eigent u toe wat u nooit van de hemel is geschonken; u bedriegt zich voor een nimmer eindigende eeuwigheid. O, wat kan een ziel dan in de banden en in grote benauwdheid komen. Dat geschiedt met name wanneer een kind van God in grote zonde is gevallen, in de dingen van de wereld is opgegaan en in grote zorgeloosheid is gekomen, weinig Gods aangezicht zoekt, eigen wegen gaat, op oud voedsel teert, niet naar nieuwe openbaringen en betuigingen van Gods liefde staat, zo weinig gemeenschap met Gods volk onderhoudt, de Heere zo aan Zijn plaats kan laten en zoveel, zóveel voor de Heere laat liggen! O, als de Heere Zich dan achter gaat houden! Als Zijn Aangezicht dan zo verborgen is! Wat kan het dan laag aflopen met de ziel. Wat spannen dan duistere machten samen om de ziel voor eeuwig weg te stoten. O, dan rijzen de wateren van nood en aanvechting hoog op! In die afgrond gebracht mag David dan opnieuw het angstig hart tot de Heere opheffen. Een hernieuwd smeken wordt geboren in die diepte van gemis. David mag zich opnieuw verliezen aan Zijn God. Na de jubel en de klacht wordt alles losgelaten en David wekt zichzelf op: Wacht op de Heere, zijt sterk en Hij zal Uw hart versterken, ja: wacht op de Heere. Wachten, uit de diepte opzien en met verwachting uitzien. Wachten op de Heere. Zijn aanzien. Zijn spreken. Zijn komen. Zijn vertroostend aangezicht. Zijn hulp. Zijn bijstand. Zijn ondersteuning. Zijn vergevende liefde en de blijken van Zijn overwinnende trouw. Wachten. O, als dat wachten werkelijk in de beoefening mag zijn, weet u wat er dan ook gebeurt! Dan reikt het steeds verder, al maar verder en verder...! Wacht op de Heere! Wachten op Zijn Koninkrijk. Wachten op Zijn Zoon, Die zal wederkomen op de wolken. Wachten op Zijn stad, die zal nederdalen uit de hemel. Wachten op het laatste Nieuwjaar, de laatste Zondag, de eeuwige Sabbatsrust, die er over blijft voor het volk van God. Wacht op de Heere - wacht op de volle vervulling van al Zijn beloften. O volk, dan zal het alles vrede zijn. Eeuwig zult ge samen met al Gods kinderen de Heere mogen genieten. Ge zult nooit meer zondigen en God zal zijn Alles en in allen. Wacht op de Heere! Jacob: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE. Job: Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. Micha: Maar ik zal uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils, mijn God zal mij horen. Petrus: Wij verwachten naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. O, en daarom mogen we het al Gods lievelingen toeroepen:

    Godvruchte schaar, houd moed; Hij' is getrouw, de bron van alle goed; Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de HEER´

     

    Ds. W.J. Teunissen




     
    Hersteld Hervormde Gemeente Vriezenveen