Wie is Online

  • 18 gasten
  • Inloggen



    Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen.


    Kerkgebouw

    Beth-El kerk Vriezenveen

     
    Overdenking E-mail

    Meditatie

    “De praktijk der Godzaligheid”

    G. Voetius over kleding.


    Waar we de vorige keer stil hebben gestaan bij wat de Utrechtse hoogleraar Gisbertus Voetius (1589-1676) heeft geschreven over de aanspraak in het gebed, wil ik nu opnieuw een gedeelte doorgeven uit zijn bekende werk De praktijk der Godzaligheid. Dit keer willen wij stilstaan bij wat hij schrijft over de wijze waarop wij ons hebben te kleden. Opnieuw een onderwerp dat altijd wel actueel is.


    Voetius merkt allereerst op dat het hierbij gaat over zaken van middelmatige aard. Dat wil dus zeggen dat deze zaak niet het hoofdonderwerp moet zijn van onze gedachten en van onze gesprekken. Tegelijkertijd is de zaak voor Voetius belangrijk genoeg om er wel terdege aandacht aan te besteden.


    Wat betreft de kleding verwijst Voetius naar het paradijs. Pas na de zondeval moest de mens kleding gaan dragen. Wij lezen in Genesis 3 dat Adam en Eva zich voor elkaar schaamden. Kleding heeft als doel de naaktheid te bedekken. Voetius spreekt daarom over de kleding als “het brandmerk dat ons om onze overtredingen gegeven is”. Hij merkt daarbij op dat wij onze roem niet in onze kleding mogen zoeken en dat wij ons moeten hoeden om, als het gaat over onze kleding, met hoogmoed te werk te gaan. Ik denk dat het heel goed is om deze zaken te bedenken, juist ook in de gereformeerde gezindte waar veel geld aan kleding wordt uitgegeven. Laten ook de jongeren, voor wie kleding heel belangrijk is en die met hun kleding iets willen uitdrukken, niet vergeten dat onze kleding ons herinnert aan de zondeval en door Voetius wordt aangeduid als “een brandmerk dat ons om onze overtredingen gegeven is”. De teksten waar Voetius naar verwijst zijn te lezen in Genesis 2:25 en Genesis 3:7 en 21; maar ook Jesaja 3:23 en 24. Het zal duidelijk zijn dat, al noemt Voetius de kleding een “brandmerk”, dit niet betekent dat een mens zich dan maar niet of zo weinig mogelijk moet kleden. Het doel van de kleding na de zondeval is om daarmee de naaktheid, de schaamte van de mens te bedekken.


    Het volgende wat Voetius zegt over kleding is dat wij niet moeten proberen steeds de laatste mode in stijl en kleuren te volgen. Hij noemt dat wereldgelijkvormigheid en verwijst daarbij naar Zefanja 1:8 en Romeinen 12:2. Tegelijkertijd zegt Voetius wel dat wij ervoor moeten zorgen dat onze kleding past bij ons beroep. Hij schrijft dat “kleding niet alleen bedoeld is om onze naaktheid te bedekken, maar ook om de positie waarin God ons gesteld heeft, op te luisteren”. Als Voetius deze opmerking maakt lijkt er sprake te zijn van een tegenstrijdigheid. Enerzijds schrijft hij dus dat kleding gedragen wordt tot opluistering. Daarbij schrijft hij zelfs dat het “niet ongepast is om het lichaam, dat een tempel van de Heilige Geest is, (…) door middel van kleding enigszins te versieren en te verfraaien”. Voetius verwijst daarbij naar 1 Timothéüs 2:9 en 10 en 1 Korinthe 12:23. Tegelijkertijd zegt hij dat wij zo min mogelijk tijd aan onze kleding moeten besteden en ook bij het uitzoeken daarvan kleding moeten nemen die de minste tijd van ons vergt. Wat Voetius met het versieren en verfraaien bedoelt wordt echter heel duidelijk als hij schrijft: “Wij moeten ons lichaam echter op zo’n wijze versieren dat we daardoor eerder beneden onze stand afdalen, dan dat wij ons daarboven verheffen”.

    De Utrechtse hoogleraar voert dus een pleidooi voor eenvoudigheid. De kleding is belangrijk en onbelangrijk. Zij is belangrijk geworden na de zondeval om de naaktheid van ons lichaam te bedekken. Zij is echter onbelangrijk in die zin dat wij niet moeten denken dat wij door onze kleding wat kunnen worden, niet voor de mensen, maar zeker niet voor de Heere. De Heere heeft in Zijn Woord gezegd dat de Zijnen zich moeten sieren met een heilig leven. Het is Bijbels om te zeggen dat wij netjes gekleed moeten gaan, ook omdat in Gods Woord het lichaam een tempel van de Heilige Geest wordt genoemd. Dit mag echter niet leiden tot protserigheid.

    Het is goed om deze dingen ter harte te nemen. Het komt namelijk ook in onze dagen voor dat mensen met hun kleding zich niet willen onderscheiden van de wereld en dan het argument gebruiken dat het bij de kleding gaat om een middelmatige zaak en in Bijbelse zin de kleding onbelangrijk is. Ook in de kerk zien wij dan een praktijk ontstaan waarbij dat wat in Bijbelse zin bedekt moet worden onvoldoende bedekt wordt, zowel bij mannen als vrouwen, jongens als meisjes. Men gebruikt dus het goede argument – kleding is onbelangrijk – op een verkeerde wijze om datgene onbelangrijk te noemen wat Bijbels gezien juist wel belangrijk is.

    Het omgekeerde gebeurt ook. Vaak wordt veel geld uitgegeven aan kleding en tijd besteed aan het uiterlijk waarbij men ernaar verwijst dat het lichaam een tempel is van de Heilige Geest. Opnieuw wordt het goede argument gebruikt, maar ook nu weer op een verkeerde wijze. Ten diepste draait men zichzelf op deze wijze een rad voor de ogen om toch maar te kunnen doen waar men zelf zin in heeft. Moge de stem van Voetius, die uiteindelijk niets anders heeft willen doen dan de Schrift naspreken, corrigerend werken.


    Ds. IJ.R. Bijl.


    alt


     
    Hersteld Hervormde Gemeente Vriezenveen