Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen.


Kerkgebouw

Beth-El kerk Vriezenveen

 
Overdenking E-mail

MEDITATIE


“O Timótheüs, bewaar het pand u toebetrouwd…”.

1 Timótheüs 6 : 20

Onlangs is er door het Sociaal en Cultureel Planbureau een onderzoek

gehouden met als vraag wat de Nederlandse bevolking het meest aan

elkaar verbindt. Vele zaken worden in het rapport, dat verscheen onder

de titel: “Denkend aan Nederland”, genoemd: de gelijkheid van man en

vrouw, de vrijheid van meningsuiting, de Elfstedentocht, de gelijkheid van

homo en hetero. Zelfs oliebollen en appelflappen ontbreken niet. Over

Gods Woord, kerkgang en zondagsrust wordt echter met geen woord

gerept.

Hoewel het onderzoek niet representatief is voor kerkelijk Nederland zien

wij hoe zich ook daar, in korte tijd, grote veranderingen voltrekken. Te

denken valt aan synodebesluiten of -vergaderingen die betrekking

hebben op de vrouw in het ambt of aan een andere insteek bij het

spreken over homoseksualiteit. Ook binnen de Gereformeerde Gezindte

is er veel veranderd. In gezinnen met kinderen werken beide ouders. Het

aantal echtscheidingen neemt toe. De smartphone is breed aanvaard

waardoor ieder moment van de dag het contact met de wereld mogelijk

is.

Ook als het gaat om de waardering van en de liefde tot de Statenvertaling

worden ontwikkelingen zichtbaar. Van tijd tot tijd klinken er roepstemmen

om te komen tot een revisie. Nu gaat het er hier niet om om te betogen

dat het nooit mogelijk is dat een woord, waarvan de betekenis in de loop

der tijd ingrijpend veranderd is, vervangen wordt door een ander woord.

Zo is ooit het woord wijf vervangen door het beschaafdere vrouw. Echter

kan de hele discussie toch niet los gezien worden van andere

ontwikkelingen in de samenleving en binnen de kerken. Toen een kleine

veertig jaar geleden in de Gereformeerde Kerken in Nederland het

rapport “God met ons”, wat handelt over het Schriftgezag, verscheen,

kwam daarin duidelijk naar voren dat één van de ontwikkelingen die zich

in de toenmalige Gereformeerde Kerken voltrokken had, was dat de

aandacht zich verplaatst had van het ontstaan van de Schrift naar het

verstaan van de Schrift.

Deze ontwikkeling is kenmerkend voor onze postmoderne tijd en voltrekt

zich ook binnen de Gereformeerde Gezindte. Veel meer dan in vroeger

dagen wordt in onze tijd verlangd naar een doeltaalgerichte vertaling.

Veel sterker dan voor eerdere generaties gold, willen de huidige jongeren

en hun ouders graag dat, wanneer men de Schriften leest, alles meteen

te begrijpen is. Daarbij snijdt het mes welhaast aan twee kanten. Want

het gebruik van moderne communicatiemiddelen doet ons

concentratievermogen ook geen goed.

Wanneer de apostel Paulus in de avond van het leven gekomen is schrijft

hij aan zijn geestelijke zoon Timótheüs, door de Heilige Geest

geïnspireerd, een tweetal brieven waar als een rode draad de vermaning

doorheen loopt om Gods Woord als een pand te bewaren en vast te

houden aan de leer en praktijk der Godzaligheid die in de Schriften vervat

zijn. De apostel schijft dat niet alleen met het oog op Timótheüs’ eeuwig

welzijn, maar ook met het oog op diens ambtelijke bediening. Te denken

valt aan 1 Timótheüs 4:16: ”Heb acht op uzelven en op de leer, volhard in

deze; want dat doende zult gij én uzelven behouden én die u horen”.

Daarbij is het niet voor niets dat de apostel over het Woord spreekt als

over een pand. Een pand is iets wat van waarde is, een schat of sieraad

dat in bewaring werd gegeven bij iemand anders. Dat was een zaak van

groot vertrouwen. Degene die het pand moest bewaren was namelijk

verantwoordelijk voor onberispelijke bewaring. Eens zou de dag

aanbreken waarop het in dezelfde staat teruggegeven moest worden als

waarin het ontvangen was.

Zo is ook het Woord des Heeren een kostbaar pand. Het is kostbaar

omdat het spreekt over de leer en de praktijk der Godzaligheid. Het is

kostbaar omdat de Heere Zichzelf in Zijn Woord openbaart. Het is

kostbaar omdat de Heere daarin Zijn geboden en inzettingen bekend

maakt. Het Woord is als een Licht om het donker op te klaren. De

Schriften doen ons immers verstaan Wie God is, wie wijzelf zijn en Wie

Christus is. Zoals de Heere aan Israël de Woorden Gods heeft

toebetrouwd (Romeinen 3:2), heeft Hij ze ook toebetrouwd aan

Timótheüs. Van kinds af heeft hij de Schriften geweten (2 Timótheüs

3:15), daarin als het ware gebakerd door zijn moeder en grootmoeder (2

Timótheüs 1:5). Door Gods voorzienig bestel zijn echter, door het werk

der zending, ook ons de Woorden Gods als een kostbaar pand

toebetrouwd. Het is daarom diep aangrijpend dat velen in ons land dit

pand, soms letterlijk, om niet verkocht hebben en hun geld uitgeven voor

hetgeen geen brood is (Jesaja 55:2). Even aangrijpend is het te moeten

constateren dat door anderen nog wel over dit pand gesproken wordt,

maar het toch niet bewaard is op de wijze als waarop het door de Heere

ons is toebetrouwd. Te denken valt aan alle discussies hoe de Schrift in

onze tijd gelezen moet worden. Zo is er al heel wat toe- of afgedaan aan

het ons toebetrouwde pand, zonder dat men lijkt te beseffen dat God

gezegd heeft dat Hij van degenen die dat doen zullen, hun deel zal

afdoen uit het Boek des levens en uit de heilige stad (Openbaring 22:18

en 19). Moge onder ons het pand nog bewaard worden. Ook waar het

ingaat tegen wat ons aangenaam is of wat ons aannemelijk lijkt. Moge het

bewaard worden waar het spreekt over Gods schepping in zes dagen en

over de heiliging van Gods dag. Moge het bewaard worden waar het

spreekt van verkiezing en verwerping, van de noodzaak van

wedergeboorte en de eis van bekering en geloof.

Voor Timótheüs mocht, door genade, gelden dat het toebetrouwde pand

daadwerkelijk door hem bewaard is. Al aan het begin van de brief had

Paulus mogen schrijven: “Aan Timótheüs, mijn oprechten zoon in het

geloof” (1 Timótheüs 1:2). Ook voor hem gold echter dat het bewaren van

het toebetrouwde pand geen eigen verdienste kon zijn. In vers 14 van 2

Timótheüs 1 lezen wij het wondere geheim waarom dit toch mogelijk was:

“Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest,

Die in ons woont”. Daar komt het wel op aan, of Gods Geest in ons woont

of niet. Anders kan het de schijn hebben dat wij, in uitwendige zin althans,

het pand nog bewaren, terwijl wezenlijk voor ons geldt dat we nooit voor

Gods heilig Woord gebeefd hebben. Al hebben we dan onder de rechte

prediking verkeerd en Gods Woord gelezen in de meest zuivere vertaling,

kan het toch zijn dat het ons nooit tot schuld geworden is dat we de brede

weg bewandelen die naar het verderf leidt. Dan zal het toch zijn als bij die

dienstknecht die wel een talent ontvangen had, maar het begraven had

en hij geworpen moest worden in het helse vuur (Matthéüs 25:24-30).

Hebben wij het Woord begraven of hebben wij het Woord bewaard? De

Heere Jezus zegt het: ”Zalig zijn degenen die het Woord Gods horen, en

hetzelve bewaren” (Lukas 11:28). Waaraan zijn zij te kennen die het

Woord bewaren? Dan kennen we iets van de verbrokenheid des harten

waarover in Jesaja wordt gesproken: “Op dezen zal Ik zien, op den arme

en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft” (Jesaja 66:2).

Mocht dat de gezegende uitwerking van Gods Woord in uw leven zijn?

Bracht het u op de knieën in schuldbelijdenis? Deed het jou zonder

ophouden smeken om genade? Waar u daar nog niet van weet: smeek

de Heere om waarachtige bekering. En voor wie daar van weet, geldt

toch, in al uw zielsbenauwdheid, dat het Woord u zeer lief geworden zal

zijn, ook omdat het getuigt van de Zaligmaker tot Wie Petrus sprak:

“Heere, tot Wien zullen wij heengaan, Gij hebt de Woorden des eeuwigen

levens” (Johannes 6:68). Aan zulk een volk komt de Heere Zich ook te

openbaren, op Zijn tijd en wijze, door Zijn Woord en Geest. En dan mag

het toch gelden wat er staat in 1 Johannes 2:5: “Maar zo wie Zijn Woord

bewaart in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan

kennen wij, dat wij in Hem zijn”. Dan zal toch eenmaal in vervulling gaan

wat Paulus aan Timótheüs schrijft: “Ik heb den goeden strijd gestreden, ik

heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voort is mij

weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de

rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook

allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben” (2 Timótheüs 4:8).

Zal eenmaal van u en jou gezegd mogen worden dat wij het

toevertrouwde pand, door genade, bewaard hebben, of niet?


Vriezenveen, ds. IJ.R. Bijl.

alt


 
Hersteld Hervormde Gemeente Vriezenveen