Wie is Online

  • 1 gebruiker
  • 8 gasten
  • Inloggen



    Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen.

    Uitzending : Laden...


    Kerkgebouw

    Beth-El kerk Vriezenveen

     
    Overdenking E-mail

    De Christus Gods… De Zoon des mensen…

    Lukas 9 : 20 en 22

    In Lukas 9 lezen wij dat de Heere Jezus voor de eerste keer tot Zijn discipelen spreekt over Zijn lijden en sterven dat aanstaande is: “De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden”.

    Het valt op dat de Heere Jezus deze zaken aan Zijn jongeren bekend maakt meteen nadat Petrus die allesbeslissende belijdenis heeft uitgesproken dat de Heere Jezus de Christus Gods is (vers 20). Als die woorden geklonken hebben is klaarblijkelijk het moment gekomen dat Christus Zijn discipelen zal bekend maken welk een lijden Hem zal wachten, maar ook welk een zeer groot wonder zal gebeuren, dat Hij namelijk, na Zijn sterven, ten derden dage zal opstaan. Waarom spreekt de Heere Jezus deze woorden op dit moment? Wat is de verbinding tussen Petrus’ belijdenis: “Gij zijt de Christus Gods”, en de woorden die de Heiland Zelf spreekt: “De Zoon des mensen moet veel lijden…”? Het valt op dat Petrus de Heere Jezus de Christus Gods noemt. Christus betekent Gezalfde. Als Petrus de Heere Jezus de Gezalfde Gods noemt, blijkt daaruit dat hij van ganser harte gelooft dat de Heere Jezus de gezalfde Messias is, de van Godswege beloofde  Verlosser. Hij is Degene van Wie de profeten gesproken hebben en op Wie de vaderen van het Oude Testament gehoopt hebben. In deze belijdenis klinkt tegelijkertijd ook door dat Petrus - en met hem de andere discipelen, uitgezonderd Judas - van harte geloven dat Hij niet alleen door Zijn Vader gezonden is, maar ook door Zijn Vader gemachtigd is om Zijn verlossingswerk te verrichten. Hoe is dat gebleken uit de wonderen die Hij deed en uit de woorden die Hij, als Machthebbende, heeft gesproken. Ook hebben zij het getuigenis gehoord dat Zijn Vader aangaande Zijn Zoon gegeven heeft. Dat gebeurde toen Christus door Johannes de Doper gedoopt werd en de Heilige Geest op Hem neerdaalde in de gedaante van een duif. Verschillenden van hen zullen daar opnieuw iets van mogen horen en zien op de berg der verheerlijking.

    Dat alles maakt dat Petrus het ook uitspreekt: “Heere, tot Wien zullen wij heengaan, Gij hebt de Woorden des eeuwigen levens”. Als Petrus de Heere Jezus de Christus Gods noemt, is dat geen werk van vlees en bloed, maar het getuigenis van de Vader, door Zijn Geest, in hun harten gewerkt (Matthéüs 16:17). Petrus’ belijdenis brengt mij bij de vraag: Mag u en jij ook geloven dat de Heere Jezus de Christus Gods is; dat Hij de Gezondene en Gezalfde van Zijn Vader is? Gelooft u ook dat Hij gezonden is om Zijn volk zalig te maken? Hoewel de discipelen nog veel niet verstonden mochten zij dat van harte geloven. Hoe noodzakelijk is het dat het geloof dat de Heere Jezus de Christus is, ook in ons hart gevonden wordt en waar het niet gevonden wordt, dat het in ons hart gewerkt wordt. Zult u en jij de Heere daar om smeken?

    Nu valt echter op dat de Heere Jezus, bijna als een antwoord op Petrus’ belijdenis dat Hij de Christus Gods is, Zichzelf de Zoon des mensen noemt. Petrus noemt de Heiland de Christus Gods. Zelf noemt de Heere Jezus Zich de Zoon des mensen. Wat betekent dit? De Heiland weet wel dat de Zijnen vast geloven dat Hij de Gezondene en Gezalfde Zijns Vaders is, maar Hij weet ook dat zij daarbij nog zo’n verkeerd beeld hebben. Zij meenden dat Hij gezonden was om een koninkrijk op aarde op te richten. Zij hoopten en geloofden dat er een tijd van heil op aarde zou aanbreken. Zij hoopten dat Hij verlossing zou brengen van de Romeinen. Zij verstonden niet dat Christus’ Koninkrijk niet van deze wereld is en een geestelijk en hemels Koninkrijk is. Zij begrepen nog niet dat Christus gekomen was om te lijden en te sterven, om in die weg te voldoen aan het eisende recht van Zijn Vader en de strijd aan te binden met de overste dezer wereld, de satan; om in die weg de Zijnen te verlossen van het eeuwig verderf. Zeker, het is heerlijk waar dat Hij de Gezalfde en Gezondene van Zijn Vader is. Maar Hij is wel gezonden om Zichzelf over te geven tot in de kruisdood. Hij is gezalfd opdat Hij niet alleen Hogepriester zou zijn, maar ook om Zelf het Lam te zijn dat geslacht zal worden. Hij is gezalfd tot Koning, maar zal wel eerst als een Kruiskoning de dood moeten ingaan om Zijn Koninkrijk op te richten. Wat hebben de Zijnen van Zijn Woorden weinig begrepen. Zij, Petrus voorop, hebben niet anders geprobeerd om, als Christus over Zijn sterven sprak, Hem daarvan te weerhouden. Zij verstonden niet dat Hij voor hen zou moeten lijden, sterven en opstaan ten derden dage. Later zal de Heere Jezus het zeggen tegen de Emmaüsgangers: “Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan ?” (Lukas 24:26). Een mens verstaat van zichzelf niet dat er voor hem of haar betaald moet worden. Een mens van nature ziet niet in dat Gods gerechtigheid eist dat met de dood voor onze zonden betaald zal worden. Een mens heeft van zichzelf zelfs geen weet van zijn schuld en zonden. Zelfs al mag de belijdenis klinken dat Jezus de Christus Gods is, dan kan een mens voor deze zaken nog grotendeels blind zijn. Wat moesten de discipelen nog veel leren aangaande Christus’ werk, maar wat moesten zij ook nog veel leren over wie zij zelf waren. Dat alles zou op een voor hen pijnlijke wijze gebeuren, in de tijd die zou volgen tot aan Christus’ kruisdood en opstanding.

    Het komt er zo op aan dat ook u, jij en ik deze dingen geleerd mogen hebben of nog zullen leren. Dat wij verstaan dat Christus moest lijden, sterven en opstaan ten derden dage en dat dat alles te maken heeft met de schuld en zonde van ons eigen hart en leven. Het is niet voor niets dat de Heere Jezus in dit verband spreekt over de noodzaak van het verlies van eigen leven: “Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden” (Lukas 9:24). Mag dat voor u en jou al gelden? En waar dat nog niet gebeurd is, zult u en jij de Heere daar om smeken? Wie daarvoor de ogen geopend mogen worden, die leert het verstaan dat de Zoon des Mensen, Die veel moest lijden, de Christus Gods is. Die mag ook gaan verstaan dat Hij daartoe gegeven en gezonden is door Zijn Vader. De Heere Jezus is God, Die mens wilde worden - uitgenomen de zonde -  en Die nochtans God is gebleven. Hij wilde komen om Zichzelf te ontledigen en nam de gestalte van een dienstknecht aan. Hij deed dat alles uit liefde tot Zijn Vader en uit liefde tot verloren zondaren; uit liefde tot de Zijnen. Opdat er een weg zou komen, waar geen weg meer was en nooit geen weg meer kon komen. Opdat er vergeving zou zijn voor hen die ten diepste geen vergeving verdiend hebben. Hoe blijkt dan Zijn liefde.

    Mag u het al zeggen dat Hij uw Liefste is en dat alles aan Hem gans begeerlijk is? Mag het uw bede zijn om Hem te kennen? Mag jij daar om vragen, dat Hij Zich met Zijn schatten en gaven aan jou zal openbaren, door Zijn Woord en Geest? Altijd doet Hij dat op Zijn tijd en wijze. Nimmer ook doet Hij dat te laat. Hij wil dat werken, opdat de Kerk zal zingen: “Gij hebt o Heere, in het dodelijkst tijdsgewricht, mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen”.

    Zingt u al mee?

     

    Ds. IJ.R. Bijl




     
    Hersteld Hervormde Gemeente Vriezenveen