Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen.


Kerkgebouw

Beth-El kerk Vriezenveen

 
Overdenking E-mail


Het nut van het lijden voor de verbreiding van het Evangelie.


“En ik wil dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering des Evangelies gekomen is”


De grote heidenapostel Paulus is meerdere keren in zijn leven vanwege de prediking van het Evangelie en vanwege de Naam van de Heere Jezus in de gevangenis geworpen. Daarbij werden zijn kleren letterlijk gescheurd en bloedde hij, als gevolg van de geselslagen, uit vele wonden.

In Paulus’ leven bleek overduidelijk dat het waar was wat de Heere Jezus al had gesproken tegen Zijn discipelen: “Zij hebben Mij gehaat. Zij zullen ook u haten”. Over Paulus zelf had de Heere gezegd tegen Ananias: “Ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam”. De oorzaak dat Paulus in de gevangenis werd geworpen was ongetwijfeld dat de satan maar één ding wilde en dat was dat de prediking van het Evangelie gestopt zou worden. Bovendien moest satan ook wel de hoop gehad hebben dat, als Paulus in de gevangenis geworpen was, dit de mensen zou afschrikken om de Naam van de Heere Jezus te belijden. Ook dreigde door Paulus’ gevangenschap het gevaar dat er een smet geworpen zou worden op het Woord dat hij preekte. Satan wilde en wil niets liever dan mensen vrees aanjagen en probeerde toen en probeert nog van alles te doen om een smaad te werpen op de prediking van Gods Woord.

Toen Paulus de brief aan de Filippenzen schreef was hij opnieuw in de gevangenis terecht gekomen, ditmaal in Rome, en vanuit de gevangenis schreef hij deze brief aan de gemeente te Filippi. In Filippenzen 1:1 spreekt hij hen aan als “de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen”. Met de gelovigen in Filippi ervoer de apostel een bijzondere band. Overigens had hij ook in Filippi zelf in de gevangenis gezeten. Dat was gebeurd in het jaar 49 na Christus toen hij tijdens zijn tweede zendingsreis daar het evangelie had gepreekt. Filippi was de stad waar Paulus onder andere Lydia, de purperverkoopster, met haar gezin alsook de stokbewaarder met zijn gezin gedoopt had. De prediking van het Woord was in Filippi dus rijk gezegend.

Toen Paulus later in Rome dan opnieuw in de gevangenis zat schreef hij de Filippenzen dat tot zijn grote verwondering was gebleken dat de Heere zijn gevangenschap op een bijzondere wijze gezegend had. In plaats ervan dat Paulus’ gevangenschap schadelijk was geweest voor de verbreiding van het Evangelie, had de Heere gemaakt dat, door Paulus’ lijden omwille van Christus, het Evangelie juist nog meer verbreid was geworden.

Overigens wil dat niet zeggen dat er geen dagen geweest kunnen zijn dat Paulus zijn gevangenschap toch wel als een diepe beproeving heeft ervaren. Toch bleek de satan er niet in geslaagd om door Paulus’ gevangenneming de verkondiging van het Evangelie te stoppen of de mensen zo bevreesd te maken dat zij de naam van de Heere Jezus niet meer durfden te belijden.

Het tegendeel was zelfs het geval. De apostel mag er van getuigen in Filippenzen 1:12 “En ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is.” Wat de duivel ten kwade had gedacht had de Heere God zelfs ten goede willen gebruiken.

Paulus’ gevangenschap, eerst in Filippi en later in Rome, bracht hem op plaatsen waar hij anders mogelijkerwijs nooit gekomen was. Zoals de Heere Jezus door Samaria moest gaan om de Samaritaanse vrouw te ontmoeten, moest Paulus de gevangenissen in om daar het Woord Gods bekend te maken. In de gevangenis te Filippi zongen Paulus en Silas, met hun gescheurde kleren en hun gegeselde lichamen, in de nacht de Psalmen zodat zelfs hun medegevangenen die hoorden. En toen de Heere de aarde deed beven zodat de deuren van de gevangenis geopend werden en de ketens van Paulus en Silas afvielen gebeurde het wonder dat de stokbewaarder aan hun voeten neerviel met de vraag: “Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” Met hun open wonden verkondigden Paulus en Silas hem de weg ter zaligheid. “Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Met heel zijn huis was de stokbewaarder aan God gelovig geworden.

Dat Paulus ook in de gevangenis het Evangelie mocht preken was echter niet de enige vrucht van zijn lijden om Christus’ wil. Er waren ook andere vruchten. In Filippenzen 1:14 schrijft de apostel: “Dat het meerdere deel der broederen in den Heere, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken.” Waar te verwachten was dat door Paulus’ gevangenschap de mensen angstig werden en daarom de Naam van de Heere Jezus niet meer zouden durven belijden was het tegenovergestelde het geval. De Heere nam bij velen de vrees weg zodat ook anderen dan Paulus zelf vrijmoedig over het Woord mochten spreken. Zo klonk ook buiten de gevangenis de belijdenis dat Jezus de Christus is. Ook waar Paulus dat zelf niet kon doen werd toch gesproken over de noodzaak van bekering tot God en het geloof in de Heere Jezus. In de straten van Efeze en Rome werd, soms zelfs door mensen die helemaal geen bijzondere roeping ontvangen hadden om het Evangelie te preken, getuigd van de heerlijkheid van de hemel, maar ook van de eeuwige pijn in de buitenste duisternis van de hel. En wat was de oorzaak van deze vrijmoedigheid? Die oorzaak was niet in de eerste plaats dat men wist dat Paulus toch wel door de Heere bevrijd zou worden uit de gevangenis, want dat kon men op dat moment nog niet weten. De reden was een andere. Paulus schrijft in vers 14 dat dat kwam door zijn “banden”. Het was een gevolg van Paulus’ gevangenschap en lijden. Juist dat gaf anderen vrijmoedigheid omdat de Heere hen duidelijk had laten zien dat Paulus’ lijden een lijden was om Christus’ wil. De Heere deed hen inzien dat het hier niet maar ging om de strijd tegen vlees en bloed maar om de strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Zij mochten zien dat Paulus’ lijden er ook een teken van was dat hij Christus toebehoorde en het een eer voor hem was om, om Zijnentwil wil, te moeten lijden. Zoals Paulus zelf schrijft in Filippenzen 1:29: “Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden”.

Het wonderlijke was ook dat Paulus zelf in alles rust van de Heere ontving dat Hij hem niet zou beschamen, in welke zaak dan ook (Filippenzen 1:20). Hoewel niemand van nature graag wil lijden mocht Paulus toch geloven dat alles wat hij moest meemaken zelfs nuttig was tot zijn eigen zaligheid (Filippenzen 1:19). In de weg van het lijden kreeg Paulus namelijk de hulp en de genade van de Heere nog meer nodig dan tevoren en mocht hij steeds meer aan Christus verbonden worden. Daarbij was er één diep verlangen in zijn hart; dat de naam van Christus groot gemaakt zou worden in zijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood (Filippenzen 1:20).

Nu mag het de vraag wel zijn, niet alleen voor ambtsdragers en predikanten, maar voor ons allemaal of het ook ons hoogste verlangen mag zijn dat Christus verheerlijkt zal worden in ons leven, maar ook in ons sterven. Is het ook ons diepste verlangen geworden dat God aan Zijn eer komt in ons leven en Zijn Woord verbreid mag worden, opdat ook anderen zullen belijden de Naam van God de Vader, van God de Zoon en van God de Heilige Geest? Voor alles is één ding noodzakelijk en dat is dat voor ons allen persoonlijk zal gelden dat wij in de Heere zijn. Paulus spreekt namelijk, door de Heilige Geest geïnspireerd, in Filippenzen 1:14 over de broeders in de Heere, die op God vertrouwden en onbevreesd over het Woord des Heeren spraken. Waarom was hun vrees weggenomen? Omdat zij in Christus geheiligd waren en hen genade en vrede geschonken was van God de Vader, in Zijn Zoon Jezus Christus, door de Heilige Geest. Zij waren door Christus Zelf getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar Licht, daarom behoorden zij Hem toe. Door Zijn Geest woonde Hij en werkte Hij in hun harten. Daarom ook konden zij zichzelf verloochenen en hun kruis op zich nemen om in alles achter Hem aan te komen (Matthéüs 16:24). Zijn ook wij in de Heere? Van nature, zoals wij geboren worden, zijn wij dat niet. Gods Woord zegt over ons allen dat wij van nature goddelozen zijn die de Heere niet liefhebben met geheel ons hart en met al onze krachten en die de naaste niet liefhebben als ons zelf. Van onszelf kunnen wij alleen maar de Naam van God verloochenen en hebben wij ons eigen leven lief boven de Naam van de Heere. Daarvoor moeten door de Heilige Geest wel onze ogen geopend worden. Paulus meende voor zijn bekering rechtvaardig te zijn, maar hij was een goddeloze. Hebben wij geleerd dat wij dat ook van nature zijn? Wij moeten allen bekeerd worden. Wij moeten door Gods Geest vernieuwd worden. Daarom moeten wij bidden dat God onze ogen opent. Daarom moeten wij bidden om genade en vergeving. De Heere wil dat gebed verhoren, op Zijn tijd en wijze, opdat wij de Heere Jezus leren kennen en Hem worden ingelijfd door een waar geloof. Opdat wij werkelijk verlost worden en voor de dood niet meer hoeven te vrezen. Opdat wij in alles de Heere zullen eren. Dan alleen kunnen wij het Paulus nazeggen: “Het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin” (Filippenzen 1:21). Dan hoeven wij geen mensen meer te vrezen en geeft de Heere ons vrijmoedigheid om Zijn Naam te belijden. Dat geloof is een gave en als we dan moeten lijden omwille van het Evangelie is ook dat een gave: “Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden” (Filippenzen 1:29). Maar dan zal zelfs dat lijden voor ons nog tot eeuwig nut zijn omdat het ons aan de Heere verbindt en omdat het een teken ervan is dat Christus woont in onze harten. Zo zal Christus groot gemaakt worden in ons lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood. Dan is het eeuwige leven nu al aangevangen en het zal eens ten volle genoten worden. Geldt dat ook voor u? Amen.


Vriezenveen, ds. IJ.R. Bijl.

alt


 
Hersteld Hervormde Gemeente Vriezenveen