Wie is Online

  • 1 gebruiker
  • 8 gasten
  • Inloggen



    Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen.


    Kerkgebouw

    Beth-El kerk Vriezenveen

     
    Overdenking E-mail

    MEDITATIE


    “O Timótheüs, bewaar het pand u toebetrouwd…”.

    1 Timótheüs 6 : 20

    Onlangs is er door het Sociaal en Cultureel Planbureau een onderzoek

    gehouden met als vraag wat de Nederlandse bevolking het meest aan

    elkaar verbindt. Vele zaken worden in het rapport, dat verscheen onder

    de titel: “Denkend aan Nederland”, genoemd: de gelijkheid van man en

    vrouw, de vrijheid van meningsuiting, de Elfstedentocht, de gelijkheid van

    homo en hetero. Zelfs oliebollen en appelflappen ontbreken niet. Over

    Gods Woord, kerkgang en zondagsrust wordt echter met geen woord

    gerept.

    Hoewel het onderzoek niet representatief is voor kerkelijk Nederland zien

    wij hoe zich ook daar, in korte tijd, grote veranderingen voltrekken. Te

    denken valt aan synodebesluiten of -vergaderingen die betrekking

    hebben op de vrouw in het ambt of aan een andere insteek bij het

    spreken over homoseksualiteit. Ook binnen de Gereformeerde Gezindte

    is er veel veranderd. In gezinnen met kinderen werken beide ouders. Het

    aantal echtscheidingen neemt toe. De smartphone is breed aanvaard

    waardoor ieder moment van de dag het contact met de wereld mogelijk

    is.

    Ook als het gaat om de waardering van en de liefde tot de Statenvertaling

    worden ontwikkelingen zichtbaar. Van tijd tot tijd klinken er roepstemmen

    om te komen tot een revisie. Nu gaat het er hier niet om om te betogen

    dat het nooit mogelijk is dat een woord, waarvan de betekenis in de loop

    der tijd ingrijpend veranderd is, vervangen wordt door een ander woord.

    Zo is ooit het woord wijf vervangen door het beschaafdere vrouw. Echter

    kan de hele discussie toch niet los gezien worden van andere

    ontwikkelingen in de samenleving en binnen de kerken. Toen een kleine

    veertig jaar geleden in de Gereformeerde Kerken in Nederland het

    rapport “God met ons”, wat handelt over het Schriftgezag, verscheen,

    kwam daarin duidelijk naar voren dat één van de ontwikkelingen die zich

    in de toenmalige Gereformeerde Kerken voltrokken had, was dat de

    aandacht zich verplaatst had van het ontstaan van de Schrift naar het

    verstaan van de Schrift.

    Deze ontwikkeling is kenmerkend voor onze postmoderne tijd en voltrekt

    zich ook binnen de Gereformeerde Gezindte. Veel meer dan in vroeger

    dagen wordt in onze tijd verlangd naar een doeltaalgerichte vertaling.

    Veel sterker dan voor eerdere generaties gold, willen de huidige jongeren

    en hun ouders graag dat, wanneer men de Schriften leest, alles meteen

    te begrijpen is. Daarbij snijdt het mes welhaast aan twee kanten. Want

    het gebruik van moderne communicatiemiddelen doet ons

    concentratievermogen ook geen goed.

    Wanneer de apostel Paulus in de avond van het leven gekomen is schrijft

    hij aan zijn geestelijke zoon Timótheüs, door de Heilige Geest

    geïnspireerd, een tweetal brieven waar als een rode draad de vermaning

    doorheen loopt om Gods Woord als een pand te bewaren en vast te

    houden aan de leer en praktijk der Godzaligheid die in de Schriften vervat

    zijn. De apostel schijft dat niet alleen met het oog op Timótheüs’ eeuwig

    welzijn, maar ook met het oog op diens ambtelijke bediening. Te denken

    valt aan 1 Timótheüs 4:16: ”Heb acht op uzelven en op de leer, volhard in

    deze; want dat doende zult gij én uzelven behouden én die u horen”.

    Daarbij is het niet voor niets dat de apostel over het Woord spreekt als

    over een pand. Een pand is iets wat van waarde is, een schat of sieraad

    dat in bewaring werd gegeven bij iemand anders. Dat was een zaak van

    groot vertrouwen. Degene die het pand moest bewaren was namelijk

    verantwoordelijk voor onberispelijke bewaring. Eens zou de dag

    aanbreken waarop het in dezelfde staat teruggegeven moest worden als

    waarin het ontvangen was.

    Zo is ook het Woord des Heeren een kostbaar pand. Het is kostbaar

    omdat het spreekt over de leer en de praktijk der Godzaligheid. Het is

    kostbaar omdat de Heere Zichzelf in Zijn Woord openbaart. Het is

    kostbaar omdat de Heere daarin Zijn geboden en inzettingen bekend

    maakt. Het Woord is als een Licht om het donker op te klaren. De

    Schriften doen ons immers verstaan Wie God is, wie wijzelf zijn en Wie

    Christus is. Zoals de Heere aan Israël de Woorden Gods heeft

    toebetrouwd (Romeinen 3:2), heeft Hij ze ook toebetrouwd aan

    Timótheüs. Van kinds af heeft hij de Schriften geweten (2 Timótheüs

    3:15), daarin als het ware gebakerd door zijn moeder en grootmoeder (2

    Timótheüs 1:5). Door Gods voorzienig bestel zijn echter, door het werk

    der zending, ook ons de Woorden Gods als een kostbaar pand

    toebetrouwd. Het is daarom diep aangrijpend dat velen in ons land dit

    pand, soms letterlijk, om niet verkocht hebben en hun geld uitgeven voor

    hetgeen geen brood is (Jesaja 55:2). Even aangrijpend is het te moeten

    constateren dat door anderen nog wel over dit pand gesproken wordt,

    maar het toch niet bewaard is op de wijze als waarop het door de Heere

    ons is toebetrouwd. Te denken valt aan alle discussies hoe de Schrift in

    onze tijd gelezen moet worden. Zo is er al heel wat toe- of afgedaan aan

    het ons toebetrouwde pand, zonder dat men lijkt te beseffen dat God

    gezegd heeft dat Hij van degenen die dat doen zullen, hun deel zal

    afdoen uit het Boek des levens en uit de heilige stad (Openbaring 22:18

    en 19). Moge onder ons het pand nog bewaard worden. Ook waar het

    ingaat tegen wat ons aangenaam is of wat ons aannemelijk lijkt. Moge het

    bewaard worden waar het spreekt over Gods schepping in zes dagen en

    over de heiliging van Gods dag. Moge het bewaard worden waar het

    spreekt van verkiezing en verwerping, van de noodzaak van

    wedergeboorte en de eis van bekering en geloof.

    Voor Timótheüs mocht, door genade, gelden dat het toebetrouwde pand

    daadwerkelijk door hem bewaard is. Al aan het begin van de brief had

    Paulus mogen schrijven: “Aan Timótheüs, mijn oprechten zoon in het

    geloof” (1 Timótheüs 1:2). Ook voor hem gold echter dat het bewaren van

    het toebetrouwde pand geen eigen verdienste kon zijn. In vers 14 van 2

    Timótheüs 1 lezen wij het wondere geheim waarom dit toch mogelijk was:

    “Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest,

    Die in ons woont”. Daar komt het wel op aan, of Gods Geest in ons woont

    of niet. Anders kan het de schijn hebben dat wij, in uitwendige zin althans,

    het pand nog bewaren, terwijl wezenlijk voor ons geldt dat we nooit voor

    Gods heilig Woord gebeefd hebben. Al hebben we dan onder de rechte

    prediking verkeerd en Gods Woord gelezen in de meest zuivere vertaling,

    kan het toch zijn dat het ons nooit tot schuld geworden is dat we de brede

    weg bewandelen die naar het verderf leidt. Dan zal het toch zijn als bij die

    dienstknecht die wel een talent ontvangen had, maar het begraven had

    en hij geworpen moest worden in het helse vuur (Matthéüs 25:24-30).

    Hebben wij het Woord begraven of hebben wij het Woord bewaard? De

    Heere Jezus zegt het: ”Zalig zijn degenen die het Woord Gods horen, en

    hetzelve bewaren” (Lukas 11:28). Waaraan zijn zij te kennen die het

    Woord bewaren? Dan kennen we iets van de verbrokenheid des harten

    waarover in Jesaja wordt gesproken: “Op dezen zal Ik zien, op den arme

    en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft” (Jesaja 66:2).

    Mocht dat de gezegende uitwerking van Gods Woord in uw leven zijn?

    Bracht het u op de knieën in schuldbelijdenis? Deed het jou zonder

    ophouden smeken om genade? Waar u daar nog niet van weet: smeek

    de Heere om waarachtige bekering. En voor wie daar van weet, geldt

    toch, in al uw zielsbenauwdheid, dat het Woord u zeer lief geworden zal

    zijn, ook omdat het getuigt van de Zaligmaker tot Wie Petrus sprak:

    “Heere, tot Wien zullen wij heengaan, Gij hebt de Woorden des eeuwigen

    levens” (Johannes 6:68). Aan zulk een volk komt de Heere Zich ook te

    openbaren, op Zijn tijd en wijze, door Zijn Woord en Geest. En dan mag

    het toch gelden wat er staat in 1 Johannes 2:5: “Maar zo wie Zijn Woord

    bewaart in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan

    kennen wij, dat wij in Hem zijn”. Dan zal toch eenmaal in vervulling gaan

    wat Paulus aan Timótheüs schrijft: “Ik heb den goeden strijd gestreden, ik

    heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voort is mij

    weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de

    rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook

    allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben” (2 Timótheüs 4:8).

    Zal eenmaal van u en jou gezegd mogen worden dat wij het

    toevertrouwde pand, door genade, bewaard hebben, of niet?


    Vriezenveen, ds. IJ.R. Bijl.

    alt


     
    Hersteld Hervormde Gemeente Vriezenveen