• 2020-01-01 15_27_53-Foto's.png
  • Kerk1.jpg

Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen

“EN HENOCH WANDELDE MET MET GOD”

Genesis 5 :22.

In de brief van Judas staat, dat Henoch de zevende van Adam was. Dat heeft een bedoeling. Gelijk de sabbat de zevende in de rij der dagen was, zo was Henochs leven een sabbatsleven in de reeks der geslachten, want hij wandelde met God. De profeet Amos vroeg: “Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?”

De Heere en Henoch zijn ook bijeengekomen en dit is niet van Henoch uitgegaan, want er is niemand, die van nature God zoekt.

De goedertierenheid des Hemels is eenzijdig: wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Wanneer is de Heere samengekomen met Henoch? De geschiedenis geeft ons een aanwijzing. Wij lezen: “Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalach; en Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, drie honderd jaren.” De geboorte van Methusalach is dus kennelijk een keerpunt in zijn bestaan geweest; vóór dien “leefde” hij, na dien was zijn leven “wandelen met God.” Nadere bijzonderheden ontbreken.

Het is mogelijk, dat de patriarch in de maanden, dat het kind verwacht werd, vele gebedswerkzaamheden kreeg aan de Troon der genade en in die weg dicht tot de Heere werd getrokken. Het is ook mogelijk, dat de geboorte van Methusalach deed vrezen voor het behoud van moeder en kind; als een waterstroom liep Henoch in zijn benauwenissen de Heere aan en toen de uitkomst verblijdend was, werd het: “Ik zal, nu ik mag ademhalen na zoveel bangen tegenspoed, al mij geloften U betalen, U, Die in nood mij hebt behoed.”

Nog eens, het was geen vrucht van eigen akker, dat Henoch wandelde met God; de Heere nam hem in Zijn verkiezende genade bij Zich, bond hem door de Heilige Geest aan Zich en de geboorte van het jongske was daartoe het middel, de tweede oorzaak.

Wandelen met God - wat is dat innig! Tot Abraham werd gezegd: “Wandel vóór Mijn Aangezicht en wees oprecht.” Abraham ging vóór de Heere uit en was alzo onder Gods ogen, binnen het bereik van Zijn helpende handen. Tot Israël zeide Mozes: “Den Heere uw God zult gij navolgen.“ Jehovah ging voorop en het volk zou ootmoedig achter de Koning lopen, om veilig te zijn onder Zijn leiding. Maar bij Henoch was het nog rijker: hij ging niet vóór de Heere uit of achter Hem aan, neen, hij ging naast de Heere, aan Zijn zijde, hij wandelde met God. Och, als de Heere hem niet had vastgehouden, ware zelfs een Henoch, door zijn vlees verleid, afgeweken; maar de onweerstandelijke genade bewaarde hem voor uitvallen.

Is het niet om jaloers te zijn op zulk een sabbatsleven, vol verheerlijking Gods, en daarom ook vol vrede en rust? Henochs “leven” werd tot “wandelen met God”, maar zo werd ook zijn ”sterven” iets anders: “hij was niet meer, want God nam hem weg”. In Hebr. 11 wordt verklaard: “Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien.” Met zijn God wandelde hij voort, van de aarde weg, naar het Huis van zijn Vriend en hij zag geen dood, geen verderving, hij zag enkel eeuwig leven en zaligheid. Gelijk de Christgelovigen, ten jongste Dage nog overig gebleven op de wereld, in een punt des tijds veranderd zullen worden, zo is Henoch opgenomen, wijl hij Gode behaagde. De Heere geve, dat wij in leven en in sterven op Zijn in Christus verkoren begenadigde knecht mogen gelijken.

Wijlen ds. E. van Meer (1891-1954).    

Go to top