Meditatie

EEN ZORGEND GOD

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd. Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. 
1 Petrus 5 vers 6 en 7

Het is een zeer dringende vermaning, waarmee de apostel Petrus tot de gemeente komt: ‘Vernedert u onder de krachtige hand Gods.’ Wat wordt hier met die krachtige hand van God bedoeld? Zou dit niet de bedoeling zijn: de openbaring van ‘s Heeren liefde, maar ook van Zijn heilige toorn.In de eerste plaats van Zijn liefde, in al de gunstbewijzen, zowel van tijdelijke als ook van geestelijke aard. De tijdelijke gunstbewijzen zijn er zoveel. ledere dag weer komt de Heere ons opnieuw tegen met Zijn weldaden. Hij laat daarmee zien dat in Hem ook de Bron van alle aardse zegen ligt. Hij brengt redding uit de stoffelijke nood. Hij laat het ondervinden: ‘Waar Gij Uw voetstap zet. Daar doet Gij 't al ten zegen dijen. Daar druipt het al van vet.’ En geestelijk? Wel, is het niet groot, als de Heere met Zijn krachtige hand de touwen en koorden losmaakt en de ziel uitrukt uit het modderig slijk van de zonde en ongerechtigheid? En ook na  ontvangen genade richt Hij gedurig de tafel toe, voor hongerige en dorstige zielen, opdat zij zich in Hem verkwikken en met Zijn vlees en bloed verzadigd worden. Dan is het zoals Paulus zegt: ‘Christus is in u, de Hoop der heerlijkheid.’ Maar, met die krachtige hand wordt ook gezien op het lijden dat de Heere over de Zijnen brengt, omwille van hun zonden. De mens verzet zich daar van nature tegen met alle macht. Wij willen aan het lijden niet aan. Wat deinzen wij niet terug voor het lichamelijke lijden. Job zegt: ‘Heeft niet de mens een strijd op aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van een dagloner?’ Hoe velen gaan juist in onze dagen gebukt onder de zorgen van de wereld. Wat is de strijd om het bestaan zwaar. Wat zal de toekomst ons brengen? Wat kan die krachtige hand van God zwaar drukken. Die krachtige hand spreekt ons niet alleen van de almacht des Heeren, die ons ontneemt wat wij niet missen willen, maar deze wijst ons ook op de almacht des Heeren, die Zijn volk voor die slaande hand doet neervallen, zodat zij moeten uitroepen: ‘Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.’ En nu zegt Petrus hier: ‘Vernedert u onder de krachtige hand Gods.’ Weet u wat hiermee bedoeld wordt? ‘Gods recht in tegenspoed erkennen.’ Wat wordt dit weinig gevonden. De mens meent, als het hem niet helemaal naar de zin gaat, dat hem het grootste onrecht wordt aangedaan. Hij meent op alles recht en aanspraak te hebben, en vandaar al die klaagtonen, die gedurig opstijgen. Maar wanneer die krachtige hand van God de ziel komt bewerken, dat deze zich vernederen mag onder de tuchtroede van de Heere, dan kust hij de roede, dan erkent hij Zijn lankmoedigheid nog in de toediening van de straf. Dan is het louter goedheid, die hele weg die met hem gehouden wordt. Welnu, in die zelfvernedering onder de krachtige hand des Heeren zegt de geslagen ziel: ‘Heere, het kan niet anders, 't mag niet anders.’ En als u uzelf een beetje hebt leren kennen bij het licht van Gods ontdekkende genade, zegt u: ‘Maar, Heere, daar kom ik nooit; ik val mij hoe langer hoe meer tegen. Ik ben en blijf een bedorven vat, dat tot hinken en zinken gereed is.’ Nee, daar komt u nooit uit van uzelf. Maar als de Heere Zijn volk leert om zich te vernederen, dan breekt Hij alle hoogten af en werpt ze neer, en als de Heere hen door Zijn almachtige hand daar gebracht heeft, dat zij zichzelf vernederen, zodat zij ontbloot worden tot de fundamenten toe, leert Hij hen hoge waarde stellen in de borggerechtigheid van Christus. En is de Heere Jezus aan de ziel ontdekt, dan is er geen twijfel of de persoon van die Borg en Middelaar zal hoe langer hoe meer noodzakelijk, ja, onmisbaar worden. O, wat een neerbuigende liefde: ‘Jezus ontvangt zondaars en eet met hen.’ Och, dat wij toch alles met Hem mochten opheffen, want dat is het grote ongeluk in onze dagen, dat men zo weinig met zielsverheffing van Jezus hoort spreken, het is omdat er geen vernedering onder de krachtige hand des Heeren gevonden wordt. Maar wanneer die vermaning betracht wordt, dan volgt daarop een rijke belofte : ‘Opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.’ En waarin bestaat die verhoging? Wel, dat die vrijmachtige God, Die niets of niemand nodig heeft, alsof Hem iets zou behoeven, redenen uit Zichzelf neemt en in Zijn neerbuigende goedheid zich wendt tot zulk een, die zich heeft leren kennen als de grootste van de zondaren, en die van nature een slavenkind is, maakt tot een Koningskind. Is dit geen onuitsprekelijke verhoging, dat armen, naakten, ellendigen, blinden, dus zulken die niets bezitten dan zonde en schuld, door Hem worden opgezocht en gemaakt worden tot Zijn kinderen en erfgenamen, zodat zij kunnen uitroepen: ‘Ik ben met rijkdom overladen. Wereldling, ik heb een schat; ik mag mij in een weelde baden. Die geen wereldling bevat. Wanneer zal die verhoging plaatshebben? Wel immers: ‘Te Zijner tijd.’ En nu kan die tijd weleens uitblijven. Nu vertoeft de Heere weleens, doch geen nood. Want is dat ook uw zorg? Blijf maar bidden, wachten op de komst van Hem, Die gezegd heeft: ‘Indien Hij vertoeft, verbeid Hem, Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven.’ Het is te Zijner tijd, als de Heere zich bij de een in de jeugd, bij de ander in de grijze ouderdom als de allesoverwinnende God van Israël openbaart en doet bukken onder de krachtige hand des Heeren. Het is te Zijner tijd, dat de Heere zegt: ‘Ik doe het niet om uwentwil, doch om Mijns grote Naams wil.’ Dan, als de Heere de ziel verhoogt, zinkt de ziel eronder weg. In één uur u in de Heere verlustigen ligt meer blijdschap dan in alles wat de wereld te bieden heeft. Nu zien wij in het verdere van dit tekstwoord, met welk een zorgend God de Kerk te doen heeft. Hoor maar hoe Petrus het uitroept: ‘Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.’ Wat  betekent dit, het werpen van uw noden op de Heere? Sommigen menen dat dit betekent: de Heere aanlopen in het gebed en alle noden en bekommernissen aan de Heere voor te dragen. En o zeker, nu is dit ook niet buitengesloten, maar het gaat nog verder. Het wil zeggen: dat men zich met alle moeite en ellende aan de Heere overgeeft; dat men op Hem alleen vertrouwend neerzinkt, dat men zich sterkt in de Heere. Met wat een aandrang wordt dit gezegd: ‘Werpt al uw bekommernis op Hem.’ Alle bekommernis, geen enkele buitengesloten. En ze zijn soms zoveel en zo groot. Zorgen om door deze wereld te komen. Maar belooft Hij het niet, dat het brood zeker en het water gewis zal zijn? Zijn het geldelijke bezwaren of een ziek lichaam? Is het uw verhouding tot uw huisgenoten? Is het tweedracht die u zo graag ziet opgelost? Of is het de toestand van uw ziel die u zo benauwen kan? Als u ziet op uw afmakingen, dan kan deze vraag wel eens het hart beangstigen: ‘Hoe zal ik, onwaardige, die de eeuwige dood verdiend heb, nog eenmaal voor God kunnen bestaan?’ Welnu, al die bekommernissen kunnen wij samenvatten in het woord van de dichter: ‘Duizend zorgen, duizend doden, kwellen mijn angstvallig hart.’ En nu kan het weleens schijnen, alsof alle dingen tegen zijn en de weg hoe langer hoe moeilijker wordt. Doch vergeet het niet, de Heere weet waarom Hij het doet. Het mes moet bij de een weleens dieper in de wond gezet worden dan bij de ander. Toch zal het einde wezen, dat uitgeroepen mag worden: ‘Gij hebt mijn bang geschrei, verandert in een blijde rei.’ Want, zegt Petrus: ‘Hij zorgt voor u.’ In het tijdelijke maakt Hij het wel, zodat de ziel zich moet wegschamen dat zij zulke ongoedertieren gedachten van de Heere gekoesterd heeft. Maar ook in de weg van het geestelijke leven zorgt Hij voor al Zijn volk. Als de weg gaat door de woestijn van het leven, door de barre zandwoestijn, dan beschikt Hij als een zorgend God nog Elims en palmbomen waar zij verkwikt worden. Hij laat het manna uit de hemel neerdalen, het water doet Hij uit de rotssteen des heils te voorschijn treden. Hij zorgt voor hen als Die God, Die niet moede en mat wordt om de Zijnen met al wat hen deert te schragen en te dragen. Hij zorgt voor hen. Als straks de ure van de dood daar is, dan zal het wezen dat Hij de Zijnen door de doodsjordaan zal leiden, opdat ze altijd met de Heere zullen wezen.Hebt u al enige kennis aan dit volkomen vertrouwend overgeven aan de Heere? Dan zal er toch wel iets aan zijn voorafgegaan. Want zo uit zichzelf komt men niet daartoe. Doch is het, dat uw vertrouwen nog altijd op de dingen van de wereld gesteld is, och wat zult u dan met de wereld bedrogen uitkomen. U bent niet onbekommerd geweest wat uw aardse belangen betreft. Die vraag ‘Wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmee zullen wij ons kleden?’ heeft uw hart zoveel malen in beslag genomen. Maar bent u weleens bekommerd geweest over deze zaak: ‘Hoe zal ik eenmaal rechtvaardig voor God kunnen bestaan?’ Mocht deze vraag u eens uitdrijven tot de Heere, opdat u het mag ervaren: ‘Op uw noodgeschrei deed Ik grote wonderen.’ En kunt u door Gods genade spreken van die zorg des Heeren, hoe de Heere uit loutere genade, redenen uit Zichzelf genomen heeft en naar u heeft willen omzien. Veel, o zoveel kan u drukken. De zorgen nemen toe. Toch, geen nood. Als u al uw bekommernissen op Hem mag werpen, dan zult u het ervaren: ‘Hij zal het maken.’ Als u zo verkeert voor het aangezicht des Heeren, mag u bemoedigd de reis voortzetten. Laat de nacht van bekommernissen wel eens lang duren, Gods volk gaat de morgen van de verlossing tegemoet, want ‘aldaar zal geen nacht zijn.’ Amen.

Ds. W.L. Mulder (1887-1977), Hij diende als hervormd predikant maar liefst 12 (!) gemeentes: Arnemuiden, Gouderak, Garderen, Benthuizen, Enter, Voorthuizen, Huizen, Hoevelaken, Veenendaal, Rijssen, Maartensdijk en Houten.