• 2020-01-01 15_27_53-Foto's.png
  • Kerk1.jpg

Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen

VERSOEPELING CORONAMAATREGELEN

Onze regering heeft aangekondigd dat de verplichte afstandsregel van anderhalve meter vervalt. Dit betekent dat ook in kerken de anderhalvemeter-regel formeel vervalt. Het past ons de Heere ootmoedig dank te zeggen dat deze verplichte afstandsregel, die het maatschappelijke en kerkelijke leven zo lang gestempeld heeft, komt te vervallen. We zien reeds lang uit naar de tijd waarin de reguliere kerkgang, de geregelde sacramentsbediening en het winterwerk zonder beperkingen zijn voortgang mag hebben.

De Heere geve dat het ontberen van het geregelde kerkelijke leven in coronatijd moge leiden tot het waarderen van dat wat God ons nog onverdiend laat. Wij hebben dan ook alle reden om met de woorden van de profeet Jeremia tot onszelf in te keren: ‘Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Ze zijn alle morgen nieuw, Uw trouw is groot.’

De verplichte afstandsregel vervalt, maar waakzaamheid blijft geboden. Het coronavirus is nog steeds aanwezig en voor verhoogde besmettingen in het najaar wordt nog steeds gevreesd. Zaken als handen wassen, hoesten in de elleboog, thuisblijven bij klachten en elkaar ruimte geven blijven daarom van belang.
We staan op een keerpunt. De regering heeft een aanzienlijk deel van de coronamaatregelen ingetrokken en coronatoegangsbewijzen verdragen zich echter niet met de aard van kerkdiensten en andere kerkelijke activiteiten. We staan daarmee, meer dan op enig moment in de anderhalf jaar die achter ons ligt, voor de vraag hoe wij op een verantwoorde wijze met deze ruimte om hebben te gaan. Hoe moeten we omgaan met het spanningsveld tussen gemeenteleden die er naar uitzien om weer schouder aan schouder in de kerk te zitten en gemeenteleden die hier best wel tegenop zien? Wat is in de huidige omstandigheden te verantwoorden voor Gods Aangezicht en de zielen die aan ons zijn toevertrouwd en hoe geven we hierbij invulling aan het begrip ‘gepaste afstand’?

Als kerkenraad en kerkvoogdij menen wij dat het met onderstaande maatregelen weer mogelijk is om op een verantwoorde wijze tweemaal per zondag op te kunnen gaan onder de Woordbediening vanaf D.V. zondag 3 oktober:

  • De bankenopstelling wordt dusdanig aangepast dat er ‘gepaste afstand’ mogelijk blijft en toch een ieder in de gelegenheid wordt gesteld om tweemaal naar de kerk te kunnen gaan. Getracht wordt om een onderlinge afstand van één meter te realiseren.
  • Registratie vervalt, maar de kosters blijven wel de plaatsen toewijzen en ook het verlaten van de kerk blijft op hun aanwijzing. Collecteren bij de uitgang blijft ook zoals het was.
  • Families die onderlinge afstand voor zichzelf niet nodig achten worden verzocht als gehele familie tegelijk naar binnen te gaan en dan ook bij elkaar te gaan zitten. Dit bespaart veel tussenruimte en is echt noodzakelijk om de gewenste afstand naar anderen weer te kunnen realiseren. Wij rekenen hierbij op uw aller medewerking!

Wij kunnen het ons goed voorstellen dat u de afstand van 1,5 meter voor u (en uw gezin) wenselijk blijft vinden. Wilt u dat dan doorgeven aan de scriba zodat we daar rekening mee kunnen houden en weten hoeveel plaatsen we daarvoor in de kerkzaal moeten creëren.

Wilt u op tijd komen, zodat alles geordend kan verlopen en de kerkdiensten op tijd kunnen beginnen?

Naast gepaste afstand en goede hygiëne is goede ventilatie de belangrijkste maatregel. Wij mogen beschikken over een kerkgebouw waarin dit mogelijk is. Dit betekent wel, met het aanstaande herfst- en winterseizoen, dat de temperatuur niet altijd aangenaam zal zijn en dat het ook weleens wat zal tochten. Wij adviseren u zich daarop te kleden. De kapstokken blijven ook gesloten en het toiletbezoek is ook te beperken tot het echt noodzakelijke.

En voor dit alles geldt: Deo Volente.

Uw kerkenraad, kerkvoogdij en kosters.

Meditatie

Voetius over  de verhoring van het gebed.

Dit keer willen wij luisteren naar wat Gijsbertus Voetius (1589-1676) in zijn Praktijk der Godzaligheid schrijft over de verhoring van het gebed. Voetius stelt zelf de vraag of God altijd de gebeden van de Zijnen verhoort. Hij antwoordt daarop bevestigend. Hij zegt wel dat dit alleen geldt voor zover de gebeden in overeenstemming zijn met Gods wil. Hij verwijst daarbij naar een groot aantal teksten: Ps. 34:16, Ps. 5:1-5, Ps. 65:3, Joh. 16:23, Matth. 7:7, 2 Kron. 15:2, Ps. 145:19 en 1 Joh. 4:14-15. Voetius noemt daar nog iets bij. Hij zegt dat de verhoring van Godswege ook blijkt uit het gevolg dat een gebed altijd heeft: “Want God geeft of datgene waarom wij bidden, of iets veel beters, in overeenstemming met Zijn wil...”. Hij verwijst in dit verband ook naar de bede van de Heere Jezus in de Hof van Gethsémané, die wij lezen in Matth. 26:39: “Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt”. Voetius benadrukt ook dat God datgene wat absoluut nodig is tot de zaligheid altijd zal geven aan degenen die Hem daarom vragen. “Al het andere geeft Hij (...) alleen in zoverre Hij dit tot Zijn eer en tot onze zaligheid ziet en wil doen strekken”.

Dan gaat Voetius in op de vraag of God altijd antwoord geeft op het gebed. Het gaat hem dan  ook om de vraag of Hij de bidder de verhoring bekend maakt door middel van een teken of een aanwijzing van gewone of buitengewone aard. Voetius zegt dat dit niet het geval is. Al stelt hij wel dat de Heere soms de verhoring “tijdens of na het bidden” kenbaar maakt “door een teken dat met het verstand, met het gevoel of met beide waarneembaar is”. Voetius verwijst daarbij naar Dan. 9:20-21, Joh. 12:28 en Hand. 4:31. Hij zegt er tegelijkertijd bij dat de Heere dit niet altijd doet en dat het kan gebeuren dat de Heere de Zijnen beproeft, zoals dit ook gebeurde bij de Kananese vrouw, “...en laat dan pas na lang wachten, verlangen, uitzien en vurig bidden en roepen zien dat Hij het gebed verhoort, Psalm 22:3”. Daarom lezen wij soms ook dat van God gezegd wordt “dat Hij van verre staat, Zijn oren toestopt, Zijn Aangezicht afwendt, Zich stilhoudt, of Zich bedwingt. En van bidders heet het dat zij uitzien, stil zijn en niet haasten, Hab. 2:3, Ps. 37:7 en 40:2, Klaagl. 3:26.”

De derde belangrijke vraag die Voetius stelt is of bidders kunnen weten of hun gebed door God verhoord is. Hij gaat daarbij ook in op de vraag of het wel nodig is om dat te weten en of wij deze zekerheid ook altijd moeten nastreven. Voetius zegt dat dit alles wel het geval is. Hij merkt daarbij twee dingen op. Ten eerste: “Zij moeten gelovig bidden, zonder te twijfelen, Jak. 1:6. Dus kunnen en moeten zij zeker zijn van de verhoring”. Ten tweede: “Gelovige bidders stellen zich de verhoring zoals zij die wensen, voor ogen, Ps. 42:6. Ook de bezegeling van ons gebed met het woord “amen” is een bewijs daarvan, zoals dat in het antwoord op de laatste vraag van onze Catechismus terecht gesteld wordt”. Met andere woorden: een gelovig gebed wordt daardoor gekenmerkt dat het de verhoring verwacht.

De vierde vraag die Voetius zich stelt is welke middelen er dan zijn om na te gaan of de Heere ons verhoort. Hij stelt die vraag met name met het oog op situaties van vertwijfeling of verwarring door “geestelijke verlatingen, afleidende gedachten, beproevingen, beroeringen, geestelijke matheid, enz”. Voetius wijst erop dat wij dan geen bijzondere wondertekenen mogen vragen of verwachten zoals de Heere wel deed bij Gideon of bij Hizkia. Ook moeten wij geen stem uit de hemel vragen, of een boodschap dan wel een bijzondere openbaring door middel van een droom of een visioen.“Wij mogen alleen gewone tekenen zien te verkrijgen door de gewone verlichting en beoefening van het geloof”.

Daartoe mag men volgens Voetius ook middelen aanwenden om deze “gewone” tekenen te verkrijgen. Voetius noemt drie van dergelijke middelen. Wij moeten in de eerste plaats “nagaan of er onzerzijds beletselen zijn”. Voetius noemt daarbij ook een aantal voorbeelden van dergelijke beletselen. Men kan bidden “zonder hernieuwing van de bekering en zonder te breken met de zonde”. Men kan kwalijk bidden, dat wil zeggen dat wij niet bidden volgens Gods wil. Men kan ook traag zijn in het bidden en dat “niet met de verschuldigde ijver, vrees, beving, verootmoediging en armoede van geest, geloof en vertrouwen” doen. Men kan meer om stoffelijke dan om geestelijke zaken bidden of “niet met ernst en aandrang om geestelijke zaken vragen”. Men kan in de gebeden meer gericht zijn op “wegneming van de wonden dan op vergeving van de zonden”. Tenslotte kan men ook “meer de weldaden en zegeningen van God begeren dan Zijn gunst die toch beter is dan het leven”. Niet alleen moet men nagaan of er mogelijke beletselen zijn, in de tweede plaats wijst Voetius erop dat men zich moet “verootmoedigen” voor Gods Aangezicht, want de nederigen geeft Hij genade, 1 Petrus 5. In de derde plaats moet men “vurig en zonder ophouden aandringen, totdat God Zich aan ons door de Geest des geloofs openbaart”.

Uit wat wij tot hiertoe gelezen hebben kunnen wij samenvattend zeggen dat Voetius vanuit de verzekerde overtuiging schrijft dat de Heere een verhorend God is. Voetius is daarentegen wel uiterst voorzichtig als het gaat om de vraag of God antwoordt door bijzondere tekenen e.d. Hij ontkent niet dat dit kan gebeuren, maar geeft wel aan dat hiernaar niet mag worden gestaan. Hij gaat niet expliciet in op de vraag waarom wij in de Schrift wel over dergelijke bijzondere tekenen lezen en waarom wij dat nu niet zouden moeten begeren. Ongetwijfeld is hij de mening toegedaan dat de Heere dergelijke tekenen gaf onder bijzondere omstandigheden waarin de openbaring van Gods Woord nog niet afgesloten was. Nu dit wel het geval is, geldt dat de Heere spreekt door Zijn Woord en Geest. Dat het hierbij gaat om Gods tijd blijkt ook duidelijk als Voetius het voorbeeld van de Kananese vrouw noemt die door de Heere beproeft werd. Soms worden gebeden pas verhoord na een lange tijd van uitzien en verwachten. Soms worden gebeden niet verhoord omdat er, zoals Voetius dat uitdrukt, beletselen kunnen zijn die weggenomen moeten worden. Maar één ding mag Voetius weten, en dat is dat de Heere de nederigen Zijn genade geeft. Het doet hem er bij zijn lezers op aandringen om des te vuriger en zonder ophouden bij de Heere in de gebeden aan te houden.

De volgende keer willen wij D.V. nog stilstaan bij de vraag wat Voetius zegt over de tekenen die de Heere geeft waaruit mag blijken dat het gebed verhoord is.

Vriezenveen, ds. IJ.R. Bijl.

Go to top