• 2020-01-01 15_27_53-Foto's.png
  • Kerk1.jpg

Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen

Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Alle rank die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en alle die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. (Joh. 15 : 1-2)

 

Dit tekstgedeelte bepaalt ons bij de tijd dat Christus Zich richtte om Zijn ziel tot een schuldoffer te stellen om Zijn volk zalig te maken. Grote bewogenheid kent Hij tot degenen die de Vader Hem gegeven heeft. Hij vertroostte en bemoedigde hen door de woorden in de voorgaande gedeelten. Ze verstonden nog zo weinig van Zijn borgtochtelijke arbeid. Maar de hoogste Profeet en Leraar gaat voort met Zijn onderwijs.

En op weg naar Gethsémané, temidden van wijngaarden en olijfgaarden, opent de Opperste Wijsheid opnieuw Zijn mond en leert dat Hij de ware Wijnstok is en Zijn Vader de Landman.

Hij is de Wijnstok Die goede vruchten voortbrengt. In tegenstelling tot de wilde wijnstokken ten tijde van Elisa te Gilgal; die wilde kolokwinten brachten de dood in de pot. Ook Juda is in Jesaja 5 vergeleken met een door God geplante wijnstok die stinkende druiven voortbracht. Niets dan gruwelen en ongerechtigheden brachten zij voort waar God een afkeer van had. En dat is toch de mens van nature. Geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, maar in haar val van God afgevallen en verworden tot een mens wiens bestaan uit Adam een stroom van ongerechtigheid voortbrengt. Want die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen; hoezeer wij ook ons beijveren en proberen aangenaam te maken. Deze dorre, vruchteloze ranken deugen nergens toe dan om in het vuur geworpen te worden. Want al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. En toch eiste God gehoorzaamheid en voldoening. Is het geen wonder dat de hemelse Landman nu Zelf voor vrucht en voor Zijn eer zorgdraagt? Hij plantte Zijn eigen beminde Schootzoon op aarde in Bethlehem om gerechtigheid te gaan aanbrengen en de deugden Gods te verheerlijken.
Hoe noodzakelijk om deel te hebben aan Hem en Zijn gerechtigheid. Daartoe is het werk des Geestes nodig. Die gaat in de weg van de waarachtige bekering de mens van zijn oude stam losmaken om hem in de ware Wijnstok Christus in te enten. Wat een kracht Gods in het leven als de bijlslagen in ons leven gevoeld worden. Dan worden we losgemaakt van de wereld die ons dan niet langer vervullen kan. De zondedienst krijgt een slag zodat we er droefheid over gevoelen en afkeer van krijgen. Gods Wet die heilig is en goed brengt de verdorvenheid des harten openbaar. Gods bijlslagen die de rank treffen leggen daardoor ook het binnenste van deze ranken open. Want Gods kinderen worden in deze weg almeer eerlijk gemaakt voor God en zichzelf en kennen ogenblikken dat ze hun hart geheel en al voor de Heere mogen uitstorten en de tranen rijkelijk vloeien vanwege onze breuk. En desondanks kan de rank nog zo vasthangen aan de oude stam. Dat blijkt als we het leven nog proberen te vinden in alle ondervindingen en werkzaamheden. De dode vruchteloze rank wil niet vallen, wil niet zijn wat hij is, wil niet loslaten waarin hij het leven (tevergeefs) zoekt. Maar de hemelse Landman weet wat nodig is en gaat de laatste vezels doorsnijden waaraan de rank zich krampachtig probeert vast te klampen.

Waar daar alle hoop ontvalt en niemand meer voor de ziel zorgt en de dichter verstaan wordt toen hij uitriep: ‘’k schatte mij geheel verloren, ‘k mocht van geen vertroosting horen’, daar wordt Gods genade verheerlijkt door hen een gerechtigheid te schenken uit de ware Wijnstok Jezus Christus.

Wat een onuitsprekelijke wijsheid en werkzaamheden van de Landman als Hij door Zijn Geest aan zo’n verloren zondaar Christus en Zijn gerechtigheid schenkt. Waar Hij dat geloof in het hart werkt, de ogen opent voor de volkomen genoegdoening en de heiligheid van Christus.  Waar de vereniging met de Schoonste aller mensenkinderen wordt geschonken en genoten. Dat eenzijdige en goddelijke werk dan verheerlijkt in het hart. Dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. O zeker, daar is geen enkele roem in de rank; die moet immers eerlijk bekennen dat hij God tot het laatste heeft tegen gestaan in het werk der zaligheid. Maar wie roemt, die roeme in de Heere omdat Hij het heeft gedaan.

Wat vloeien er dan een kostelijke en rijke sappen in de ranken. Dat dierbare Woord dat voorheen zo als een tweesnijdend scherp zwaard wondde, draagt dan de vertroostingen in de ziel aan. Door middel van Zijn knechten bearbeidt Hij door Zijn Geest Zijn volk, want: ‘Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij’. De vruchten des Geestes blijven daarom niet uit, want Zijn volk zal zeer gewillig volk zijn op de dag Zijner heirkracht in heilige sieradiën, aldus Psalm 110. En dat zijn echt geen vruchten van eigen akker, maar vruchten die door de hartvernieuwende werking openbaar gaan komen. Daar komen zaken in het leven openbaar die Paulus in het vijfde hoofdstuk van zijn brief aan de Galaten beschrijft. O zeker, de Heere is vrij in mate van de vrucht.

Maar Gods werk houdt in het leven van de Zijnen nooit op, want alle rank die vrucht draagt, die reinigt Hij opdat zij meer vrucht dragen. De Heere zuivert de ranken door Zijn Woord en Geest alsmede door kruis en lijden, zo spreken de kanttekenaren. Dat is aan de ene kant tot diepe verwondering aangaande Zijn trouwe zorg jegens hen. Aan de andere kant tot verootmoediging. Want juist na ontvangen genade zijn zij nog zo geneigd tot alle kwaad. Wat een ‘wildgroei’ kan er met verloop van tijd weer komen. Dat de ranken soms zomaar de hoogte in schieten met alles wat ze ondervonden hebben.
Dan hanteert God Zijn snoeischaar krachtig door te spreken: ‘wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen?’ Of wanneer het hart opnieuw zich vastzet op zaken die Gods eer in de weg staan, dan acht Hij het goed om Zijn ranken daarvan te ontdoen. Maar in alle druk- en kruiswegen wil de Heere zijn volk almeer uit Hem doen leven. Waar uiteindelijk dat tere en aanhankelijke leven aan de troon der genade gevonden wordt. Waar Hij de Zijnen hun overblijvende zwakheid almeer doet inleven. Waar Hij hen almeer doet bemerken dat ze zonder Hem niets kunnen doen; niet in de tijdelijke zaken, maar nog veel minder in het geestelijke. O daar, waar zij zo nameloos arm blijven in zichzelf, krijgen ze meer en meer nodig om door Hem bediend en onderhouden te worden. Daar gaan de ranken laag hangen. In deze weg wordt deze Wijnstok voor die geloven op aarde reeds zo dierbaar. Zij zullen, hoewel ze ziende op eigen afmakingen en gebreken, nimmer van Hem gescheiden worden. Maar die nooit met Hem verenigd werden, zullen straks eeuwig buitengeworpen en verbrand worden.

Moge de Heere dan Zijn eeuwig blijvend Woord en getuigenis onder ons nog zegenrijk stellen.

Ds. K. van Olst

Go to top