• 2020-01-01 15_27_53-Foto's.png
  • Kerk1.jpg

Welkom op website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Vriezenveen

“NEEM UW HEILIGE GEEST NIET VAN MIJ.”

(Naar aanleiding van Psalm 51:13b).

David kreeg te vragen: “Neem Uw Heiligen Geest niet van mij”. Wat onderstelt dit? Wel, dat hij dien Geest bezat. Als ik geen kapitaal heb, kan ik niet begeren dat het aardse goed mij niet zal worden ontnomen. En als ik de Heilige Geest niet deelachtig ben, kan ik niet bidden Hem te mogen behouden; dan moet ik smeken: “Heere, verwaardig mij met Uw Geestesdoop”. David, de man naar Gods hart, had de Geest ontvangen; maar nu was hij beangst een zo kostbare Gave weer te verliezen.
Hij had het er ook wel naar gemaakt. Lees slechts het begin van onze Psalm en gij weet aan welke dubbele zonde hij schuldig stond. David was ervan overtuigd, dat de Heere naar heilig recht alle uitlatingen Zijner goedertierenheid kon intrekken en inhouden. O, maar daarin lag tevens het bewijs dat de Geest nog niet van hem was geweken. Indien de Geest hem ganselijk verlaten had, zou David niet bekommerd zijn geweest vanwege zijn zonden en bevreesd zijn geweest de inwoning van de Derde Persoon te moeten missen. Vindt gij de gestalte van David bij uzelven terug? Werd het waarlijk Pinksteren voor u? Dan zult gij ook wel eens beducht zijn geweest dat zulk een groot Geschenk u weer ontnomen zou worden, wijl gij het niet genoegzaam op prijs stelde. Ach, hoe kan Gods volk met David afdolen op de paden des vleses en de Geest bedroeven, ja, vertoornen. En er is geen ongerustheid, totdat het woord van Nathan, de stemme Gods, schrijnt door de consciëntie. Wat wordt het dan donker in het gemoed! Onder uw werkzaamheden overdag klopt het van binnen: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen”. Dan kermt het in slapeloze nachten: “Gena, o God, gena”. Dan moeten wij de Heere billijken in Zijn recht, als Hij ons zou verstoten uit Zijn ogen.
Doch wij gevoelen, hoe vreselijk zulks zou wezen en wij smeken op hope tegen hope: “Verwerp mij niet van Uw aangezicht”. Wij vinden geen enkele pleitgrond in onszelf, maar leren ons beroepen op Zijn beloften, die wij Hem mogen voorleggen. Wij stamelen: “Heere, er staat toch, dat wie U aanroept in de nood, vindt Uw gunst oneindig groot”. Wij herhalen Jeremia’s bede: “Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere, doe het om Uws Naams wille en wij zijn naar Uw Naam genoemd; verlaat ons niet”. Wij buigen het hoofd met David: “Neem Uw Heiligen Geest niet van mij”. De genadige verhoring zal niet uitblijven; wie alzo in oprechtheid kreeg te vragen, is immers niet van Hem verlaten en te Zijner tijd zal Hij het tonen, dat Hij geen lust heeft in onze dood, maar in ons leven. En uit het harte, dat ontferming vond, rijst een andere smeking: “Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen”. Als gij evenwel de smeking uit het 13e vers van onze Psalm niet kunt overnemen, omdat gij de Geest niet hebt ontvangen, vraag dan toch dat Hij over u kome. Vertraag in uw bidden niet en beroep u op Zijn eigen Woord:      “Op Uw noodgeschrei deed Ik grote wond’ren”.

Wijlen ds. E. van Meer (1891-1954).

Go to top