Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
Ps. 73 : 23b-24
Lezers, wie kent niet deze 73e Psalm van Asaf? Wie kent niet die tijden dat hij in onbegrepen wegen gaat? En wie van Gods kinderen worstelt juist dan niet met de bestrijdingen die Asaf in zijn ziel ondervond? Want, Asaf wist dat God om Christus’ wille goed is dengenen die rein van hart zijn omdat ze gewassen zijn van hun zonden en door Gods Geest een beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid bezitten. Voor Asafs waarneming was dat bij ogenblikken in zijn leven niet te merken. Het scheen dat de goddelozen voorspoed hadden; zij kenden geen banden tot hun dood toe. Maar Asaf meende dat God op hém toornig was aangezien zijn weg vol was van moeite en verdriet. Echter, door Gods genade mag hij na het zure, het zoet smaken. En wel als hij in Gods heiligdom mag ingaan. We zouden zeggen: toen hij in Gods huis mocht ingaan en het werk der genade weer eens levendig vóór en ín zijn ziel verklaard werd, zag hij dat juist híj rijk was en al die goddelozen in hun aardse rijkdom ten diepste nameloos arm.
Asaf zag dat zíjn einde zaligheid zou zijn, en de voorspoed der goddelozen zou eindigen in een eeuwig wegzinken.
O, wat is het Asaf een verdriet geworden dat hij zo aan Gods goedheid jegens hem heeft getwijfeld. In eigen oog is hij als een groot beest geworden: dwaas en wederstrevig! Maar door Gods genade is hij wat hij is. Hij moest het eerlijk betuigen dat hij nooit naar God had gezocht, maar door God was opgezocht. Onbevattelijk wonder van soeverein verkiezend welbehagen dat Hij het verlorene zoekt en het weggedrevene weder gaat brengen.
Asaf mocht ten eerste inleven dat Gods Rechterhand grote daden had verricht: Gij hebt mijn rechterhand gevat. Het is immers een krachtige daad als Hij ons stil zet op eigen wegen. Een onzichtbare sterke Hand maakt dat wij niet langer de zonde najagen maar gaan haten. Het is ook diezelfde Rechterhand Gods die de zondaar leidt in de wegen van Zijn Woord en inzettingen. Maar die Rechterhand Gods heeft Asaf ook in Zijn leven geleid in wat er nodig is dat God met een doemwaardige zondaar weer omgang kan hebben. Daarvoor liet Gods Rechterhand Zijn eniggeboren lieve Zoon los om Hem een ogenblik onder te laten gaan in Zijn toorn en grimmigheid.
Het geven van de Rechterhand is ten tweede ook een betoning van vriendelijkheid. Want, lezers, die Hand God leidt in het effen recht des Heeren. En juist daartoe worden hulpeloze, verloren zondaren door God aangegrepen en onderwezen en daar ondervinden zij Zijn onuitsprekelijke zondaarsliefde als hen in hun dood’lijkst tijdsgewricht geopenbaard wordt hoe lief Hij hen had doordat Hij Zijn Enige voor hen niet heeft onthouden. O, wat mag er in die tijd der eerste liefde een vertrouwelijke en verborgen omgang zijn met Hem. Want liefelijkheden zijn in Zijn Rechterhand, eeuwiglijk (Ps. 16:11)
Door die liefde Gods aangegrepen mocht het voor Asaf en heel de Kerk Gods gaan gelden: Gij zult mij leiden door Uw raad. Want er geschiedt niets bij geval. Hetgeen God in de stille raad des vredes heeft uitgedacht zál geschieden. Niets kan immers Zijn hoog besluit ooit keren. Doch, het is voor allen die bij de rechterhand gevat zijn een onuitsprekelijke vertroosting dat nu voor hen alle dingen moeten medewerken ten goede. Want hoe menigmaal vrezen juist zij dat het geheel de verkeerde kant uitgaat. Hun dwaalzieke hart, de bange en moedbenemende omstandigheden, alsmede die ogenblikken waarin ze menen van God verlaten te zijn, doen hen vrezen met het volk Israël in Jesaja 40:11, dat hun weg voor de Heere verborgen is en hun recht aan hun God voorbijgaat. Maar God, Die om Christus’ wille hun God en Vader is geworden, zal de Zijnen niet begeven; niet in duren tijd noch hongersnood. Want (zo bemoedigt Paulus Gods volk te Rome) zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Ach, dan mogen ze toch wel eens weer van die Mara’s en Elims in hun leven ontvangen dat zij in verwondering mogen zien op de goede Hand des Heeren die hen door de woestijn van het leven gúnstig heeft geleid. Dat leert hen in de weg der genade almeer eigen krachten verachten. Dat leert hen almeer toe te nemen in de kennis van de Heere Jezus Christus Die Zijn Kerk zo uitnemend liefgehad heeft dat Hij als de grote Herder der schapen hen niet zal begeven en verlaten maar met alle goed naar lichaam én ziel zal verzorgen. Och, lezers, is dat arme en gelijkertijd zo rijke leven al uw leven geworden?
Want dat volk wordt gunstig geleid. Hij heeft immers maar één doel met Zijn uitverkorenen gehad toen Hij in de stille Vrederaad had besloten hen bij de rechterhand te zullen vatten om ze door dit aardse tranendal te leiden. Asaf kreeg daar oog voor: en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. En dat is natuurlijk die heerlijkheid des hemels waarin Christus met Hemelvaart door Zijn Vader is opgenomen. De plaats waar niemand meer zal zeggen ik ben ziek. De plaats waar alle tranen van de ogen zullen worden afgewist. De plaats waar de drijver niet meer doorgaat. De plaats waar het lichaam der zonde voor eeuwig is weggenomen. Maar, lezers, dat zal voor allen die bij de rechterhand gevat zijn de plaats zijn waar God is alles en in allen. Daar wordt straks door hen straks niet op enig mensenkind gezien, maar zullen hun ogen Hem zien Die hen van eeuwigheid heeft liefgehad met een eeuwige liefde. Och, wat zal dat een heerlijkheid zijn! Simeon zag op aarde al iets van Zijn zaligheid, en Stefanus, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechterhand Gods. Daarom kon en mocht Stefanus op goede grond verwachting hebben en de verzuchting slaken in het strijdperk van zijn leven: Heere Jezus, ontvang mijn geest.
Daarom, lezers, maar eenvoudig de vraag: hoe is onze weg en wat zal ons einde zijn?
Ds. K. van Olst